Byimana
Rwanda_jongewaterdrager

Byimana

Mijn tweede verblijf, school... internaat, waar ik een deel van mijn kindertijd in Rwanda heb meegemaakt en intens heb beleeft.
Tussen mijn lotgenoten ... de jongens van Save. 
Wij werden 'Les mulâtres' genoemd, door onze zwarte klasgenoten.

landkaart_kroonvogel

Byimana - 1958 - 1960.

1958 bij de Broeders Maristen in Byimana (de witte paters).

De stoere jongens van Save laten hun achtjarige kinderdromen achter bij de zusters om tussen de groteren bij de paters, nieuwe dromen te koesteren. Geen korte broeken meer met bretellen. Maar gewone korte broeken met een elastiek.

Niet meer aanzien als kleinen, komen we in een wereld van betrekkelijke vrijheid.

Mijn  bedplas-nachtmerrie, lost zich van zelfs op, na een deugddoende drinkpartij voor het slapengaan. Ik had er geen vertrouwen in, en dacht in mijn binneste dat het gewoon een list was om ons te kunnen straffen. Wat een verkeerd denken van een 8 jarige. Hier is de methode eenvoudig, als men dorst heeft moet men drinken, en een nat bed, dat is het einde van de wereld niet. Is het de rust die de angstige spanning verdrijft en zo de druk op zijn blaas wegneemt. Feit is: van toen, is het gedaan met de nachtelijke paniek en is mijn matras alle dagen droog.
Ik ben bedroefd dat ik mijn lotgenoten in Save heb moeten achterlaten, en dolblij dat ik nu een droog bed heb, ik heb het gevoel dat ik nu volwassen ben. Al weet ik eigenlijk niet goed wat volwassen zijn betekent.

Met een groepje kameraden verkennen wij de omliggende heuvels. Tussen onze school lessen door, trekken we op avontuurlijke kikker of slangenjacht. Wij volgen de sporen van de slang, bekijken haar afgeworpen vel, maar nemen de raad in acht dat ze op een veilige afstand moeten blijven. Bij de zusters leerden ze dat een slang gif spuwt, wel twee meter ver, en als men het in de ogen krijgt dan is men blind. Een doeltreffende mannier om met avontuurlijke knapen op veilig te spelen.

Kameraad met de knecht - kok van het klooster ga ik en mijn vriendjes regelmatig op Ibissen jacht. Deze voor de Rwandezen heilige vogel, betekent voor het jonge volkje, spanning, voldoening en een heerlijke afwisseling op het sobere menu.

Honing stelen uit de bijenkorven Van Pater Achiel, wordt voor onze helden een gevaarlijke sport. Het komt er op aan om goed te berekenen, hoe ver het is en hoe rap men kan lopen naar de dichtstbijzijnde poel, om de pijnlijk stekkende bietjes van zich af te spoelen. Maar niets is heerlijker dan zo'n zoet smakende honingraat, ook al staat je kop vol bulten en branden de steken dat je het bijna niet kunt harden. Jammer voor Jacky dat hij het verborgen bijtje niet ziet, dat hij mee opsmikkelt. Zijn tong zwelt zodanig, dat hij geen lucht meer naar binnen krijgt en dreigt te stikken. Gelukkig voor hem, zijn de broeders bekent met de geneeskunde. Pater Achiel sakkert maar op onze kleine bandieten die zijn bijenfamilie terroriseren en belooft hen bij een volgende keer allerlei verschrikkelijke straffen. Maar het avontuur lokt en de verleiding is groot... Ook pater Gustaaf zijn aardbeien moeten menige strooptocht doorstaan. Er word nu en dan een varken geslacht, wij maken smout van het varkensvet. (smout)
Een lekkernij bij onze droge boterham.

Naast de natuur, verkennen wij ook het zwarte dorp, zwarte kinderen maken ons uit voor Umuzungu's en volwassenen houden ons meestal een beetje voor de gek. Maar de aantrekkingskracht van onze halve afkomst maakt ons nieuwsgierig. Wij zijn reeds vele scheldnamen gewoon en de sterksten van mijn vrienden, vechten met de boosdoeners tot ze er genoeg van krijgen. Wij zijn de drie musketiers maar met 10. Ik krijg zelf een speer in mijn been, en moet op verzorging bij broeder Jean.

We leren gebruiken en tradities kennen.

Soms mogen wij eens proeven van een kalebas bier, die van mond tot mond doorgegeven wordt. Dan is er iemand die het leuk vindt, om die blanke knapen die denken dat ze Rwandees zijn, dronken te voeren.
Met spottende pret in de ogen moedigen ze ons aan om nog maar wat meer aan de bamboeriet te zuigen dat zich in de kruik bevindt. Bij valavond proberen wij als echte kameraden, elkaar te ondersteunend, zo stil en onopgemerkt mogelijk naar onze kamer te sluipen.


Wij kunnen wat snoep verdienen bij het bezorgen van insekten, de vlinderpater prikt ze op een bord, die dan naar België word verzonden. Eigenlijk zijn wij mederwerkers van het Afrika museum, zonder het zelf te weten. De knutselpater heeft een motorbootje gemaakt die op de vijver van de binnenkoer wordt uitgetest, wij staan in volle bewondereing voor de kunde van de paters. Wij begrepen niet goed waarom ze steeds OOJA zeiden en ja knikten, in mijn moedertaal betekende oja: neen. Dus waren ze toch zo slim niet.
 
De paters hebben elk een fiets, wij moeten het doen met 1 fiets, wat uitmond in regelmatig geruzie. De anderen mogen met een stok met de wielen zonder band  rondrijden.
Nu en dan vliegt de ketting er af, jammer genoeg geraakt Freddy zijn vingerkootje kwijt bij een van zijn herstel pogingen. Ik geraak een nagel kwijt tussen de deur, dit overkomt mij zelfs twee maal. Ja er gebeuren nu en een dan wel eens ongelukken. Er zijn onlusten tussen de hutu’s en de tutsi’s en er worden hutten in brand gestoken op de omliggende heuvels. De nachten zijn heel donker in Rwanda, maar bij het zien van brandende  hutten op de omliggende heuvels stijgt de ongerustheid en de spanning. De paters zijn gewapend in dragen zorg voor hun beschermelingen en dat stelt ons toch redelijk gerust. Eigenlijk zijn wij te jong om te begrijpen wat er aan de hand is. Maar het Hutu … Tutsi verhaal kenden wij al van in de wieg.



Mijn moeder komt op bezoek in Byimana.


Wij zijn 6 juni 1960 de dag van de exodus richting België. Mijn moeder wist dat ik haar zou verlaten, ze had documenten moeten ondertekenen in Astrida en toch. Ze bedacht zich en wilde mij bij haar houden.
Ik denk haar gezien te hebben in Astrida, maar ik herkende haar niet echt. Ook ik had een verklaring moeten afleggen dat ik mijn familie en moeder niet kende. Wat kon ik anders verklaren ik had ze jaren niet meer gezien. En leefde nu in een half blanke wereld. De zwarte mensen waren vreemden voor mij en ik was er zelfs bang van, en wij vochten zelfs tegen die 'vreemdelingen'.

Mijn laatste dagen in Byimana...  het laatste bezoek van mijn moeder Rwarabuse Rose?

Waarom heb ik haar naam onthouden? Waarom heb ik de inkervingen in mijn hand onthouden? Waarom heb ik het bestrooien met as onthouden? Dit alles moet een doel hebben gehad, door mijn moeder bedacht.
Een moeder die ik eigenlijk maar enkele jaren heb gekend, maar die me zeker lief had.

 

De  avond voor ons vertrek naar Europa... naar België komt ze op bezoek. Voor mij een zwarte vrouw, maar toch mijn moeder. Hoe is het mogelijk, ik herken haar absoluut niet meer. Ze wil mij met een list mee nemen om zogezegd kleren te kopen en mij in haar armen te voelen. Maar zij krijgt geen toestemming, de paters hebben instructie’s gekregen en hebben haar moederlijke plannen nogal vlug doorzien. Zij wil mij mee nemen naar de familie naar onze thuis in Ngororero, meer bepaald in de heuvels van Satinsyi. Een thuis die ik al meer dan 6 jaar niet meer gezien heb of beleefd.
Ik had dit alles in mijn hoofd geprint, maar ik twijfelde aan de ectheid er van. Dit was dan ook een van mijn eerste vragen bij onze eerste terugzien in 1987, zij bevestigde volmondig mijn overtuiging. Mijn geheugen had mij gedurende de jaren niet in de steek gelaten.

Mijn moeder kon mij wel nog geld toestoppen, geld die ik verborgen hou voor mijn reis naar België. Geld dat ze op het sterfbed van mijn vader heeft gekregen. Zij is in de overtuiging dat ik in België dat Rwandees geld goed zal kunnen gebruiken. Een som die ze voor haar gezin heel goed kan gebruiken.
Maar het is ook geld van mijn vader.
Ik krijg ook enkele foto’s mee. Foto's die ik nog nooit gezien had!

Het is voor mij een rare ervaring dat mijn moeder daar is met een zwarte man en twee kleine zwarte kinderen (later blijken ze mijn twee halfbroers en hun vader te zijn, Phocas en Jean-Marie).

Ik kan moeilijk de slaap vatten, ik denk aan mijn moeder die mij toch is komen bezoeken voor ik vertrok.
Ik denk aan mijn vriendjes die nog niet mee konden. Ik tracht me een beeld te vormen van een land waar het heel koud kan zijn en waar sneeuw uit de hemel valt in plaats van regen, een land waar men appels en peren eet. Moeilijk te vatten voor een kind uit het land van duizend heuvels. De Paters in Byimana hadden ons een beetje voorbereid met die beeldspraak.... zij hebben ons zelfs een beetje Nederlands geleerd.
Na deze laatste slapeloze nacht in Byimana, nemen wij vluchtig afscheid als de zusters ons komen halen.

Als afscheid zeggen de paters ons dat ze benieuwd zijn wie het eerste zal schrijven. Wat een droog afscheid! Paters zijn nu eenmaal niet opgeleid om afscheid te nemen, maar om zieltjes te winnen.